alles_wat_aandacht_krijgt_groeit.jpg

Onderwijsinnovatie: omstreden besluiten, filosofische aspecten van het besturen.

Martin Terpstra 2002

Filosofie gaat over vragen en kwesties die iedereen aangaan en waar iedereen dagelijks of regelmatig mee te maken heeft. Vanuit filosofisch oogpunt worden aspecten onderscheiden aan het bestuurlijk handelen:

1 Het argumentatieve(onderbouwen van de mening),

2 Het normatieve ( waarom is iets goed of slecht),

3 het interpretatieve (verschillende betekenissen),

4 het politieke aspect (wie besluit wat en op grond waarvan).

 

Een verantwoording van een besluit ligt in de evaluatieve redenering. Als een conclusie met goede redenen wordt onderbouwd, wil het nog niet zeggen dat iedereen het ermee eens is. Men kan de redenering betwisten. Een protangist is voorstander van het besluit en een antagonist is tegen- stander van het besluit. De bedoeling van het debat (redetwisten) is om als beste uit de strijd te komen of om gelijk te krijgen. Je test je eigen overtuigingskracht, je zoekt naar overeenstemming en probeert helder- heid te krijgen over al dan niet gedeelde uitgangspunten. Een debat gaat over een standpunt, een bewering of stelling en wordt gevoerd tussen twee partijen. Een argumentatieve analyse van een omstreden besluit be- vat de onderdelen: de noodaak van het besluit, het voorgestelde middel en het doel dat met het besluit gediend is.

 

Een besluit is gericht op een verandering, daarom moet het berusten op feiten. Je moet aannemelijk maken waarom het besluit genomen moet worden. Als je met het besluit oneens bent kun je het dus aanvechten door aan te geven dat de feiten niet kloppen, of door te zeggen dat men een onjuiste voorstelling geeft over de effectiviteit van de ingezette mid- delen, of dat het middel niet geoorloofd is. Een debat kan ook een poging zijn mogelijke besluiten te evalueren en te bekijken of het mogelijk is te bepalen wat nu het beste besluit is (evaluatieve redenering). Redenen of argumenten en de conclusie vormen samen de redenering.

 

Een redering is een vorm van communicatie, geschreven of gesproken. Een redenering bestaat uit: premissen (aangevoerde redenen en bewerin- gen) en een conclusie. Als je het met de premissen eens bent, ben je het ook met de conclusie eens. Een voorbeeld: Als de aarde de 5e planeet is heeft een spin 5 poten. De aarde is de 5e planeet. Conclusie: een spin heeft 5 poten.

 

Een conclusie is de formulering van iemands standpunt. Een argument is een uitspraak waarmee men de conclusie onderbouwt (dus, omdat, want). Rechtvaardiging is een redenering waarmee men het trekken van een ar- gument sluitend maakt.

 

Bij het geven van een redenering kan je concessies doen (hoewel, on- danks), of iets onder voorbehoud aangeven (tenzij, mits) Op deze manier kleedt je je conclusies voorzichtig in.

 

Een procedurele redeneervorm dient om de feitelijke toepassing van procedures, normen, wetten enz expliciet, dus openbaar controleerbaar te maken. Aan evaluaties ligt een procedurele redenering ten grondslag. Je kunt drogredenen aangeven, je legt dan verkeerde verbanden tussen ei- genschappen van leden van groepen (nav steekproeven bij sociaal weten- schappelijk onderzoek) of je generaliseert de complexe werkelijkheid tot een stereotype.

 

Wat is normaal? In normatieve zin is iets normaal als het volgens het verwachtingspatroon is, of het gemiddelde, of als iets meestal zo gebeurt. Maar! Het afleiden van de norm uit de kwaliteit van de gemiddelde stu- dent berust op drogredenen. Je zegt dan niet waaraan hij moet voldoen, (de norm), maar waaraan ze feitelijk voldoen (feiten) Om de gemiddelde student tot normstudent te verheffen moet je eerst een norm hebben om te beoordelen of de gemiddelde student wel voldoende kwaliteiten bezit.

 

Een redenering legt een verband tussen zinnen, maar doet geen uitspraak over de werkelijkheid. Argumenten in een debat hebben tot doel het standpunt kracht bij te zetten, of te verhelderen, of dat van de ander te verwachten. Het geeft feiten die relevant zijn voor de conclusie.

 

Goed voorbereiden op een debat betekent dat je: bekijk of er andere con- clusies te trekken zijn, of er tegenargumenten te bedenken zijn die jouw redenering verzwakken, of de regels en wetten die je inzet weljuist zijn en wat tegenstanders kunnen inbrengen. Je kijkt of andere deskundigen iets over het onderwerp gezegd hebben dat je gebruiken kunt tijdens de dis- cussie en je bekijkt welke bezwaren of tegenargumenten er kunnen zijn. De spelregels die je hanteert tijdens de discussie zijn: houd je bij de zaak, voer geen discussie over de persoon en richt je op het bereiken van over- eenstemming.

 

Besluitvorming heeft een normatief aspect: Wie, Hoe, Wanneer, Waarom worden besluiten genomen? Alle beslissingen die je neemt moeten passen binnen de normen die je je eigen gemaakt hebt. De meeste mensen be- schouwen hun eigen manier van handelen als normaal. Maar anderen kunnen jouw gedrag juist afwijkend vinden. Jij kunt je ook afvragen hoe jij je moet gedragen tijdens je eerste werkdag om niet af te wijken van de rest,

 

hoe jij je gedraagt binnen een andere cultuur om niet af te wijken en hoe jij je gedraagt als de omstandigheden wijzigen, bijvoorbeeld niet meer ro- ken in een kroeg. Wat voor ons op dit moment normaal is, is binnen een ander gezin, in een ander land, of tijdens een andere periode in de ge- schiedenis misschien niet normaal.

 

Iedereen heeft ook zo zijn voorkeuren en wensen en wil zijn leven zoveel mogelijk conform die voorkeuren en wensen inrichten. Als dat niet lukt, is er sprake van een kloof tussen wens en werkelijkheid. Is onze wens geba- seerd op fundamentele normen en waarden die voor iedereen zouden moeten gelden? Normen en waarden moeten in je handelen terug te zien zijn.

 

Oordelen vellen we vanuit een norm en waarderen doen we vanuit waar- den. Een beoordeling kan de vorm aannemen van een evaluatieve of pro- cedurele redenering en kan meer of minder nauwkeurig zijn. Waarom is goed een 8 en geen 10. We toetsen hier in welke mate de feiten overeen- stemmen met de norm (principes) of de criteria (feiten, operationalisering van de norm in meetbare criteria). Dit is een manier om de student te be- oordelen, je kijkt hier naar de mate waarin ze beschikken over kennis en inzicht in een vakgebied. Je kunt ook de mate waarin studenten hun best doen waarderen!!!!!

 

Iemand die zichzelf beoordeelt is autonoom en doet dit op basis van eigen normen. Als je wordt beoordeeld door anderen gebeurt dat op basis van de waarden en normen van buitenaf (heteronomie). De autonome mens bepaalt zelf en keert zich tegen elke heteronome moraal die voor hem wil uitmaken wat goed of slecht is. Dit onderscheid is betrekkelijk, want de mens heeft vrijheden om iets wel of niet te doen.

 

Normen en waarden heb je in de vorm van rechten of vrijheden (wat mag ik doen), verboden (wat mag ik niet doen), geboden (wat moet ik doen), deugden (wat moet ik kunnen), richtsnoeren (waar moet ik mij op richten) en streefdoelen (wat moet ik bereiken). Het vormen van een oordeel is een vorm van redeneren. Oordelen is een cognitieve en logische operatie (predictie). Een uitspraak doen waarbij we een eigenschap (gescheurd) toekennen aan een zaak (jas) is een vorm van objectieve, empirisch oor- delen. Daarnaast heb je waarde / morele oordelen, deze gaan uit van waarden en normen (uitblinken, gezellig). We oordelen en waarderen en worden beoordeeld en gewaardeerd. Maar hoe oordeel je over waarden en normen en op grond waarvan beoordelen en waarderen we ze?

 

Beoordeel je bestuurders alleen op de vervulling van hun functie of vraagt beoordeling meer dan dat? Hoe moeten ze beoordeeld worden, welke waarden en normen staan voorop? Economisch handelen is doortrokken van normen en waarden en is niet neutraal (vergiftigd babypoeder naar 3e wereldland). De samenleving staat toe dat ondernemingen eigen winstbe- jag voorop stellen.

 

Normatieve oordeelsvorming ligt ten grondslag aan het besluit tot hande- len dat iemand in een bepaalde toestand neemt en tot uitvoering brengt. Drie aspecten spelen hierbij een rol: de handelende persoon en zijn eigen- schappen en motieven, de handeling waartoe besloten wordt en de gevol- gen van de handeling, het einddoel. De ethiek houdt zich bezig met de vraag welk aspect de doorslag moet geven. In de deugdethiek denkt men na over de eigenschappen die iemand tot een goed mens maken of over de motieven die iemand aanzetten tot handelen. De beginsel- of plicht- sethiek handelt overeenkomstig beginselen of gedragsregels bv. gij zult niet doden. Bij gevolgenethiek staat handelen in dienst van het doel.

 

Normen kunnen een verplichtend karakter hebben, maar je kan er ook vrijwillig mee instemmen op grond van een maatschappelijk verdrag (wet- ten van de staat), morele intuÔtie (in het water springen als je iemand wilt redden) en op basis van redelijkheid, als het overeenkomt met jouw nor- men .

 

Verantwoordelijkheid is de kern van het normatieve aspect van besturen. In het begrip verantwoordelijkheid komen de 3 ethische benaderingen samen: namelijk zorgen dat er gebeurt wat er moet gebeuren, dit is doel- gericht handelen en kan op resultaten worden beoordeeld (gevolgen- ethiek). Verantwoordelijkheid houdt een verplichting in, je ziet toe op wat er moet gebeuren en grijpt zo nodig in (plichtethiek). Verantwoordelijk- heid houdt ook in dat je in staat bent om te laten gebeuren wat er behoort te gebeuren, (het deugd aspect).

 

Zorg, plicht en deugd komen samen in verantwoordelijkheid ëWie is ver- antwoordelijk waarvoor?í. Verantwoordelijkheid is een maatschappelijk en politiek gegeven. Verantwoordelijkheid kan van binnenuit komen (zelfver- antwoordelijk nemen of dragen, actief) het kan ook van buitenaf komen, als je ergens voor verantwoordelijk gesteld wordt (passief). Tussen beide vormen kan spanning optreden. Verantwoordelijkheidsgevoel wordt mede tijdens de opvoeding ontwikkeld.

 

Een voorwaarde voor verantwoordelijkheid is autonomie. Er zijn grenzen aan bestuurbaarheid, waardoor overgegaan kan worden naar gedeelde verantwoordelijkheid. Dit leidt tot het doorschuiven van, of opeisen van verantwoordelijkheid waardoor een verantwoordelijkheidsvacu¸m kan ontstaan. Beter is het om verantwoordelijkheden te delegeren.

 

Maatschappelijke verdeling van verantwoordelijkheden kan beschreven worden vanuit 3 modellen: het liberale model waarbij de mens zelf ver- antwoordelijk is, het collectivistisch model, waarbij de staat verantwoor- delijk is en het corporatistische model waar mensen verantwoordelijkheid dragen binnen, of met ondersteuning van maatschappelijke organisaties.

 

Verantwoordelijkheden kunnen berusten op vrijwilligheid, maar ook kun je het uitgangspunt hanteren dat handelen verantwoordelijkheden met zich meebreng om zorgvuldig te kunnen handelen, of je kunt als uitgangspunt nemen dat iedereen als deel van de wereld de verantwoordelijkheid heeft om een bijdrage te leveren aan de problemen in deze wereld. Iemand die verantwoordelijkheid neemt of draagt wenst dat hij ook de vrijheid of macht heeft om die verantwoordelijkheid waar te maken. Bestuurshande- lingen zijn een vorm van maken, bijvoorbeeld een rookverbod als middel, of een vorm van verkeren bijvoorbeeld als het rookverbod wordt inge- voerd als bezorgdheid om de gezondheid van de medewerkers.

 

Met maakbaarheid hebben we het over: de maker, (dit zijn de mensen die kennis en vaardigheden hebben om iets te maken), het middel (de midde- len en randvoorwaarden) en het te maken voorwerp (Kan het ook ge- maakt worden?). Er zijn beeldspraken voor 3 soorten makers.

 

Je hebt de bouwmeesters, zij ordenen en gebruiken materiaal en de ei- genschap van het materiaal, zodat het geheel de gewenste functie krijgt en vervult.

Je hebt de arts, deze staat buiten het proces, hij brengt een verandering teweeg door in te grijpen in het proces, waarvan hij op basis van de be- schikbare kennis aanneemt dat hierdoor het object beter wordt, of in de oude staat herstelt.

 

Je hebt de kapitein, die kent de koers, dus weet hoe je van het ene punt naar het andere kunt komen. Hij maakt zelf niets, maar maakt optimaal gebruik van middelen en de omgeving om zijn doel te bereiken. Alle drie zetten ze de wereld naar hun hand om een bepaald doel te bereiken.

 

Maakbaarheid heeft alles te maken met het doelbewust beheersen van een verandering.

 

Mensen zijn pas tevreden als dingen werken zoals de bedoeling was, ze zijn perfectionistisch. Bestuurlijk handelen is zonder geloof in maakbaar- heid niet mogelijk, de bestuurde gelooft dat datgene wat hij doet effect heeft. Deze maakbaarheid is ook terug te vinden in beleidsplannen en strategische stukken. Het is een ontwerp voor toekomstig handelen. Veel maaksels in organisaties zijn verweven met andere organisatorische ver- banden waardoor er geen voorspellingen gedaan kunnen worden over ef- fectiviteit. Daarom moeten bestuurders steeds nagaan of het beleid die effecten heeft die het beoogd. Als dat niet het geval is, zal er bijgestuurd moeten worden. Wetenschap kan ondersteunend zijn bij het op zoek gaan naar de mogelijke oorzaken. Voor de obsessie naar effectiviteit zoeken onderzoekers naar de oorzaken, maar kan de wetenschap en de technolo- gie zich ook aanpassen aan de wensen van de bestuurders? Inzicht in de grenzen van maakbaarheid kunnen leiden tot voorzichtigheid bij bestuur- ders. Er zijn er ook principiÎle grenzen aan de maakbaarheid, een grens van normatieve aard.

 

Het bijsturen om het gewenste resultaat te behalen heeft te maken met communicatie tussen actoren in de vorm van een betoog waarin bewerin- gen onderbouwd, of aannemelijk gemaakt worden. Het telt hierbij niet zo- zeer of de informatie wel juist is, maar of de boodschap goed overkomt. Het gaat om het vermogen anderen te overtuigen van de bewering van zijn overtuiging. Gelijk krijgen is niet alleen een kwestie van communica- tieve vaardigheden, maar het moet ingebed zijn in een sociaal proces en is afhankelijk van de sociale context. Dit impliceert tegelijkertijd een in- perking van communicatie omdat de sociale omgeving regels stelt aan de communicatie. Kenmerkend voor de Westerse cultuur is volgens filosofe Hannah Arendt de vervanging van de wereld van het verkeren door de wereld van het maken. Zij onderscheidt 3 soorten menselijk handelen:

 

1. arbeiden, gericht op direct levensonderhoud,

2. werken, waarbij activiteiten gericht zijn op het tot stand brengen van iets.

3. praxis/acting waarbij de betrekking tussen mensen (het verkeren) betekenis krijgt.

 

De wereld van het verkeren is rijker aan mogelijkheden dan de wereld van het maken, hier kan altijd iets gezegd of gevraagd worden. Iedereen geeft zijn eigen interpretatie op uitingen van de ander en deze is bepaald door je achtergrond en je geschiedenis. (tradities)

 

Bestuurders hebben het recht verworven om beslissingen te nemen, maar wie moeten zich aan deze beslissingen onderwerpen en op grond waarvan kan men beweren dat een beslissing juist is, macht? Beslissingen kunnen leiden tot onenigheid, onenigheid uit zich bij een conflict en kan escaleren. Beslissingen beÎindigen een conflict. In een monarchie is de meest over- heersende vorm van politieke macht. Hier ligt de beslissingsbevoegd in de hand van 1 persoon. Deze alleenheerser is afhankelijk van zijn naaste medewerkers.

 

Er zijn verschillende regeringsvormen, de aristocratie, waarbij mensen gekozen worden op grond van hun afkomst en opvoeding. Je hebt de plu- tocratie, waarbij de rijksten de macht hebben en je hebt de meritocratie , waarbij je gekozen wordt op basis van persoonlijke verdiensten.

 

Aan de ene kant is er politieke macht, de plaats waarvan uit bestuurd wordt en de beslissingen vallen die voor anderen bindend zijn (top down). Aan de andere kant is er de normatieve ruimte waarin mensen wensen en eigen normen hebben van waaruit ze de wereld naar hun hand willen zet- ten (bottum up). Kan een politieke macht aan beide aspecten voldoen?

 

De eerste manier waarop dit kan is een vorm waarbij men de strijd of on- enigheid neutraliseert, de liberaal democratische rechtstaat. Dit is een verhouding tussen de normatief politieke ruimte aan de ene kant en de politieke macht aan de andere kant. Het is ook gegrondvest op de erken- ning van deze onenigheid, mensen mogen in debat en door middel van activiteiten hun wensen duidelijk maken, ook al is het een kleine minder- heid. Het woord democratie geeft de wil van het volk aan en liberaal is gericht op het veranderen of handhaven van bestaande normstellingen voor iedereen. Er is geen liberalisering en democratisering mogelijk zon- der een rechtstaat waarin rechten en plichten wettelijk geregeld zijn en gelden voor alle inwoners. Een belangrijke grondslag van de rechtstaat is de grondwet. In de grondwet staan de genomen besluiten, voor de uitvoe- ring is een uitvoerend apparaat. De grondwet is aangevuld met staats- recht, bestuursrecht enz. Het legt de verdeling van bevoegdheden vast. Beslissingen mogen pas genomen worden als ze rechtsgeldig zijn. Hande- len precies volgens de wet is niet mogelijk, omdat niet alles in regels is vastgelegd en omdat een algemene maatregel nooit uitsluitsel geeft over bijzondere gevallen. Mensen nemen dagelijks beslissingen die politieke beslissingen ondermijnen (bv zwartrijden). Het gaat dus om de interpreta- tie van die gemeenschapsregels. Uitgangspunt hierbij is rechtvaardig be- stuur!

 

Besturen doe je over mensen, je bepaalt het leven van anderen. Het ge- vaar van onrecht ligt op de loer en om dit te vermijden moeten bestuur- ders zich bewust zijn van het normatieve aspect van besturen. Dit kan door openheid en oog te hebben voor het publieke oordeel. Handelen moet gericht zijn op het juiste doen, omwille van het juiste en uitgaan van het rechtvaardigheidsprincipe.

 

Rechtvaardigheid vraagt deugdzaamheid, gehoorzaamheid, maar ook mondigheid en kritisch kijken. Het beginsel van rechtvaardigheid vraagt van bestuurders een bezonnen normatief oordeel, dat de principes billijk- heid, onbevooroordeeldheid en onpartijdigheid insluit. Aristoteles vat rechtvaardigheid op als een deugd, een rechtvaardig mens heeft besef van macht. Je praat over verdelende rechtvaardigheid als het betrekking heeft op verdelen en toedelen, wie verdeelt of geeft, wat wordt gegeven aan wie en aan wie niet en op grond waarvan (bv erfenis). Als norm hier- bij geld dat ieder een gelijk deel krijgt, tenzij er dwingende redenen zijn voor een ongelijke verdeling. Je kunt verdelen op basis van rekenkundige gelijkheid (ieder hetzelfde kerstpakket) of op verdeling naar verdienste (wat is nu een verdienste? Is dit gebaseerd op kwaliteit, inspanning of re- sultaat?). Naast verdelende rechtvaardigheid is er vereffende rechtvaar- digheid. Dit bestaat uit handelingen die een reactie zijn op een vooraf- gaande handeling van een ander mens, bv geven en teruggeven, straffen en/of belonen. Hierbij moet het fair play principe uitgangspunt zijn en het moet in verhouding staan tot de prestatie/ handeling, tot slot moet duide- lijk zijn waarom er vereffend wordt. Vereffende rechtvaardigheid gaat vaak samen met verdelende rechtvaardigheid. Vereffende rechtvaardig- heid heeft betekenis in de directe relatie tussen mensen terwijl de verde- lende rechtvaardigheid op grotere schaal kan plaatsvinden.

 

Doelgericht besturen is algemene doelstellingen formuleren, concrete toe- standen en maatstaven beschrijven die de toetssteen moeten worden van de effectiviteit van bestuur en beleid. De vraag verschuift van wat goed bestuur is, naar wat een goede of gewenste toestand is. Het goede kan met waarden aangeduid worden. De hoogste waarde is de mens zelf. Wel- zijn is de toestand waarin mensen menswaardig kunnen leven. Dit houdt in dat mensen een veilig en gezond leven kunnen leiden, een zekere wel- vaart genieten, levensbehoeften kunnen bevredigen, huisvesten, verplaat- sen en kinderen een goede opvoeding en opleiding geven. Wat welzijn is kun je aflezen aan de naam van de departementen van het overheidsap- paraat, bv: volksgezondheid, welzijn, onderwijs, huisvesting, infrastruc- tuur enz.

 

De groei van het nationaal product is de belangrijkste maatstaf, welzijn wordt in kwantitatieve termen (geld) vertaald, waarbij de kwaliteit van het leven geen aandacht meer heeft. De andere welzijnsaspecten zijn onder- geschikt. In de bestuurlijke besluitvorming en bij het politieke debat gaat het meestal om keuzes waarin de verwerkelijking van het ene doel strijdig is met het ander. De ene waarde krijgt voorrang boven de andere. Dit kan alleen als waarden worden herleid tot meer fundamentele beginselen. Fundamentele beginselen geven antwoord op de vraag wat de zin is van het menselijk leven op aarde. Het antwoord op deze vraag bepaalt in be- langrijke mate de invulling en rangorde van genoemde waarden.