alles_wat_aandacht_krijgt_groeit.jpg

De leerkracht als opvoeder

De Haagse hogeschool Maart 2010:

Stelling:

Scholen moeten zich niet met de opvoeding bezig houden, ze moeten ge- woon goed les geven: eens of oneens

  • -  60 % van de burgers is het hier mee eens.
  • -  16% van de professionals is het hier mee eens.

Vraag:

Denkt u dat pubers minder spijbelen en hogere cijfers halen als ze les krijgen in sociale en emotionele vaardigheden

  • -  66% van de burgers is het hier mee eens.
  • -  80% van de professionals is het hier mee eens.

 

Ouders zien wel degelijk belang in een brede ontwikkelingsgerichte bena- dering van de school, maar beschouwen dit niet als opvoeding. Voor de meeste professionals lijken de begrippen opvoeding en ontwikkelingsbe- vordering hetzelfde te omvatten.

Of de leerkracht ook opvoeder is, hangt af van de definitie die gehanteerd wordt. Het programma opvoedingscanon hanteert de volgende definitie: Opvoeding is iedere invloed die mensen bedoeld of onbedoeld uitoefenen op de ontwikkeling van een kind (Diekstra van Hintum 2010). Uitgaande van deze definitie zijn leerkrachten opvoeders, maar zijn ze dat bedoeld of onbedoeld?

Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet je eerst weten wat de doe- len van opvoeding zijn, de ontwikkelingsdoelen (opvoeding is een middel om tot deze doelen te komen). Het Carnegie Project waarin ouders, ande- re volwassenen en jongeren deelnemen hebben dertien doelen benoemd:

  • -  Het vinden van een gewaardeerde plaats in een constructieve groep.

  • -  Het leren om intieme, duurzame relaties te vormen.

  • -  Het ontwikkelen van een overwegend) positief zelfbeeld.

  • -  Het verwerven van voldoende valide kennis om doordachte beslis-

    singen te nemen.

  • -  Het weten hoe gebruik te maken van beschikbare voorzieningen en

    (steun)netwerken.

  • -  Het vertonen van constructieve nieuwsgierigheid en onderzoekend

    gedrag.

  • -  Het vinden van manieren om behulpzaam en nuttig voor anderen te

    zijn.

  • -  Het ontwikkelen van een positief beeld van de toekomst, met een

    realistisch beeld van de mogelijkheden.

  • -  Het verwerven van sociale vaardigheden, onder meer om op een

    vreedzame manier met conflicten om te gaan.

    -  Het ontwikkelen van het verlangen en de mentale vaardigheden om levenslang te leren.

  • -  Het verwerven van technische en analytische vaardigheden om deel te nemen aan een complexe economie.

  • -  Het zich ontwikkelen tot een „ethisch‟ of „moreel‟ mens.

  • -  Het respecteren van de diversiteit in een pluralistische samenleving.

    In dit boek gaat het erom wat de leerkracht er toe doet of toe kan doen met betrekking tot de opvoeding en ontwikkeling van kinderen en welke plaats hij inneemt binnen de hele gemeenschap rondom het kind.

    De volgende vragen worden gesteld:

  • -  Heeft de leerkracht wel een rol als opvoeder en zo ja wat houdt het in?

  • -  Hoe wordt dit afgebakend tov de ouders en andere opvoeders?

  • -  Zijn leerkrachten voldoende toegerust voor een rol als opvoeder?

  • -  Is de school als organisatie op deze taak voorbereid?

  • -  Is het zo dat wanneer scholen beter opvoeden, kinderen zich ook

    beter ontwikkelen, niet alleen in sociaal en emotioneel, maar ook in cognitief opzicht?

    Hoofdstuk 1 Democratieopvoeding versus de code van de straat. Micha de Winter
    Democratie en opvoeding. Begrippen die hierbij een rol spelen zijn: solida- riteit, gelijkwaardigheid, tolerantie, vrijheid, verantwoordelijkheid en res- pect. Vanuit het Nationale vrijheidsonderzoek gaf 70% aan dat scholen tekortschieten in de opvoeding tot actief burgerschap. De facultaire Lan- geveld leerstoel is ingesteld om de normatieve kwesties rondom opvoe- ding en onderwijs op de wetenschappelijke en maatschappelijke agenda te krijgen. O.a de kwestie rondom tolerantie

    Volgens de Amerikaanse filosofe Meira Levinson zijn er 3 soorten toleran- tie:
    - De vreemde verdragen omdat ze er zelf niets aan kunnen doen dat ze

    anders zijn.
    - Omdat we in principe allemaal hetzelfde zijn.

    -Inzichten geven in de achtergronden van het gedrag.
    - Micha de Winter voegt hier aan toe: Common Ground, een voor ieder

    geldend denkkader dat de kaders weergeeft.

    Kan dit in het huidige onderwijs, waar het individu centraal staat: ontwik- kelen van een eigen identiteit, zelfstandig functioneren, eigen talenten ontwikkelen? Waar is het algemeen belang? Daarom pleit Micha de Winter voor een democratisch pedagogisch offensief, waar motivatie en bereidwil- ligheid tot het openstaan voor meningen van anderen belangrijke punten van aandacht zijn. Lukt dit als kinderen opgroeien in een onveilige, vaak gewelddadige omgeving? Gedrag van kinderen kan je niet los zien van die omgeving. Een kind meer empathie en ouders meer democratische op- voedingsvaardigheden bijbrengen in een sociale omgeving die dit gedrag ontmoedigt of afstraft heeft niet zoveel zin. Wat wel zin heeft is om samen met betrokkenen een context te scheppen die democratisch gedrag gene- reert. Het ontwikkelen van een pedagogische infrastructuur die verdraag- zaamheid, solidariteit en democratische gezindheid cultiveert en mogelijk maakt.

    H2 Onderwijs en morele vorming. Een bijdrage vanuit de deug- dethiek. Paul van Tongeren
    De aandacht voor morele vorming wordt bevorderd door tal van inciden- ten op scholen. Morele vorming moet voldoen aan de volgende kenmer- ken: zij moeten onmiddellijk leiden tot het gewenste resultaat en zijn al- tijd gericht op anderen, want op de vraag heeft u sturing nodig, ant- woordde vrijwel unaniem iedereen, anderen wel, ik niet. Dit is in strijd met het principe: Verbeter de wereld begin bij jezelf! Dit is een van de kenmerken van de deugdethiek. Het is een ethiek waarin de vorming van onszelf centraal staat.

    Aristoteles was de grondlegger: In Ethica Nicomachea omschrijft hij deugd als een houding waardoor je in je keuzes steeds het midden weet te vin- den. De deugd is dus een houding, geen handeling. Die houding bepaalt onze keuzes. Deugd maakt dat we in die keuzes steeds het midden vinden (de best mogelijk houding, het staat niet tussen heel erg goed en een beetje goed in.) Hier is geen maat voor en datgene wat gekozen wordt hoeft niet altijd het juiste midden te zijn, ervaren we vaak achteraf. Aris- toteles geeft aan dat we het midden kunnen ontdekken door ons te spie- gelen aan mensen die we als voorbeeld ervaren. In het algemeen geld dat een goed voorbeeld goed doet volgen, zodat een goede omgeving voor het kind van groot belang is. Maar wie kan beweren wat goed of deugd- zaam is? Dit is relatief, want in een pluralistische context kan niemand beweren dat hij het beter weet dan anderen. Docenten die willen naden- ken over morele vorming zullen ook eerst naar zichzelf moeten kijken. De deugdethiek vertrekt van de vooronderstelling dat mensen voortdurend zichzelf en anderen vormen.

    Aan leerlingen leren we dat ze kennis en feiten moeten tonen, maar feiten hebben geen enkele betekenis totdat we er betekenis aan hechten en hiermee worden feiten subjectieve meningen.

    Deze meningen kunnen extreem ver uit elkaar liggen. Het is belangrijk dat men interesse heeft in de mening van anderen, om dit te onderzoeken en te confronteren met de eigen mening, in respectvolle dialoog. Een van de manieren waarop dit kan is door het voeren van een socratisch gesprek, dit gaat niet over feiten, maar over zaken waar we meningen over heb- ben. In het socratisch gesprek gaat het ook om naar waarheid te zoeken tijdens het uitwisselen van meningen (samen denken).

    H3 Een taak voor de school, of een taak van de ouders, historisch perspectief. Bas Levering
    Als het om opvoeding en onderwijs gaat zijn er drie schillen van zelfbe- schikking te onderscheiden:

    - De vrijheid van levensvoering door het individu.
    - De verantwoordelijkheid van ouders voor de opvoeding van de

    kinderen naar inhoud en vorm. - De vrijheid van onderwijs.

    De aandacht die de pedagogische opdracht van de school in de jaren 90 kreeg is een reactie op de stijging van criminaliteit onder de jeugd, de morele ontwikkeling werd weer een zorg voor de overheid.

    Voor de jaren „50 was schoolpedagogiek een onderdeel van de pedagogiek en werd de relatie tussen docent en student gezien als een pedagogische relatie. Schoolpedagogiek werd onderwijskunde en raakte haar wortels met de pedagogiek kwijt. Het ontwikkelen van effectieve onderwijsmetho- den stond centraal. De commissie RinnooyKan heeft met haar advies (LeerKracht) in 2007 het belang van de leraar weer onder de aandacht gebracht.

    H4 de leerkracht als pedagogisch model. Wiel Veugelers

    Jongeren claimen eigen verantwoordelijkheid m.b.t. hun identiteitsontwik- keling, maar verwachten van docenten dat zij hun verschillende perspec- tieven aandragen en hun horizon verruimen, zodat zij ook zelfstandig keu- zes kunnen maken. Veel pedagogische doelstellingen zijn gericht op het vergroten van de zelfstandigheid van jongeren, ze worden gestimuleerd verantwoordelijkheid te nemen voor het leren en het eigen leven en dat van anderen. Het is daarom niet alleen van belang de autonomie te be- vorderen, maar juist ook om de persoonsvorming te stimuleren. Van leer- krachten wordt hieraan een bijdrage verwacht, dit vraagt om participatie, waardevormende dialogen, experimenteren, kennismaken met en ervaren van meerdere perspectieven, het eigen sociale en culturele milieu over- schrijden, mogelijkheden voor eigen meningsvorming, een diversiteit aan samenwerkingsvormen etc. Dit vraagt om een methode die gericht is op communicatie, dialoog en reflectie. Het organiseren van dergelijke leer- processen in het onderwijs is vaak moeilijk omdat de controle van leerlin- gen en het beheersen van leerprocessen belangrijker zijn dan begeleiding van de identiteitsontwikkeling.

    Tegenwoordig gaan opvattingen over leren uit van een sociaal constructi- vistische benadering. Een persoon construeert zelf kennis, geeft zelf bete- kenis aan de wereld, waardeontwikkeling door de student zelf. Docenten kunnen deze processen van betekenisgeving beïnvloeden, begeleiden en inhouden aangaan o.a. tijdens waardevormende dialogen. Het is belang- rijk dat docenten ook onderwerpen bespreken waarvan de meningen ver uiteen liggen binnen een groep. Het overdragen van de juiste waarden en normen werkt leerpsychologisch niet. Onderwijs is meer dan moraliseren. Het is de taak van het onderwijs om leerlingen de kans te geven zich per- soonlijk en met elkaar te ontwikkelen, waarin ze uitgedaagd worden zich te richten op de wereld die steeds mondialer wordt.

    H5 Sociale en emotionele educatie of Levensvaardigheden. Rene FW Diekstra

    Gebruikelijke termen zijn sociale vaardigheidstrainingen of competentie- training. Er is in Nederland geen representatief overzicht over wat er op dat gebied plaats vindt. In 2007 is een gesubsidieerde website door de overheid gelanceerd: Sociaal Emotionele Ontwikkeling. Er komen steeds meer gegevens beschikbaar die het belang aantonen van sociale en emo- tionele educatie op scholen. Per 1 januari 2006 zijn alle basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs verplicht om onderwijs voor actief bur- gerschap of maatschappelijke betrokkenheid op te nemen in het curricu- lum.

    Drie criteria zijn geformuleerd bij de beoordeling:
    1. kennis over fundamentele waarden en normen voor het leven in en

    deelname aan een democratische maatschappij,
    2. het vermogen om effectief en respectvol om te gaan met culturele di-

    versiteit,
    3. verwerven van kennis en vaardigheden om actief bij te dragen aan de

    gemeenschap, zoals buurt, stad of maatschappelijke organisaties.

    Scholen worden alleen gesubsidieerd voor programma‟s die evidence- based of veelbelovend zijn. Erasmus (1466- 1536) schreef dat het hoogste doel van het onderwijs is wereldburgers op te leiden die zich kenmerken door een gepast besef van verplichtingen tegenover de gemeenschap waarin ze geplaatst zijn. Hij zegt: mensen worden niet geboren, maar ge- vormd. Ook Spinoza (1632 – 1677 schrijft dat het doel van het onderwijs is kinderen op te voeden tot moreel verantwoordelijke, kritische, onafhan- kelijk denkende, barmhartige mensen. Hij zegt dat een moreel mens niets voor zichzelf wenst dat hij niet wenst voor anderen. Zelfkennis, inclusief kennis over de relatie met de rest van de wereld is een wezenlijk proces van de educatie. Rond 1900 lag de nadruk van de rol van de school op het voorbereiden van kinderen op de arbeidsmarkt.

    Freud organiseerde in 1910 een symposium over de geestelijke gezond- heid van leerlingen in het voortgezet onderwijs, waarin hij aangaf dat scholen niet deden wat ze konden om de geestelijke gezondheid van de leerlingen te bevorderen.

    Eind jaren 70 kwam er aandacht voor preventie van problemen in plaats van af te wachten tot de problemen ontstonden. Rationeel Emotieve Edu- catie - REE (Knaus 1974). Dit ging gepaard met een toenemende nadruk op de persoonlijke ontwikkeling (Maslow, zelfverwerkelijking).

    Het gevolg hiervan was dat burgerbetrokkenheid, burgereducatie of aan- dacht voor vrijwilligerswerk niet als kerndoel van het onderwijs werd ge- zien. Er ontstond in 2002 een tegenreactie die aangaf dat veel maat- schappelijke ellende het gevolg was van te weinig betrokkenheid bij de gemeenschap. In de sociale agenda voor Nederland 2006 wordt gesteld dat vorming tot goed burgerschap een kerntaak moet zijn van het onder- wijssysteem en dat tenminste 5 % van het curricula op een systematische en controllerbare wijze aan die taak gewijd moet zijn. Sociaal emotionele of levensvaardigheden educatie kan een bijdrage leveren aan de ontwik- keling van jongeren. Veel is echter nog niet bekend of bewezen, vandaar dat gepleit wordt voor lange termijn onderzoeksprojecten.

    H6 Schoolgerichte levensvaardigheden programma’s voor kinde- ren en adolescenten. Carolien Gravesteijn
    Levensvaardigheden programma‟s richten zich op algemene gezondheid of het bevorderen van een positieve ontwikkeling of verminderen van drank drugs e.d. Het zijn preventieve programma‟s waarin individuele sociale en emotionele vaardigheden worden gestimuleerd. De WHO (World Health Organisation) concludeert in 1999 dat er desondanks overeenkomsten zijn tussen diverse landen. Het gaat om het stimuleren van 5 basisvaardighe- den:

    1. besluiten nemen en probleem oplossen,
    2. kritisch en creatief denken,
    3. interpersoonlijke relatievaardigheden en effectief communiceren, 4. empathie en zelfbewustzijn,
    5. omgaan met emoties en met stress.

    Het aanleren van deze vaardigheden is effectief, blijkt uit onderzoek van Weissberg in 2007. In Nederland zijn levensvaardighedenprogramma‟s geinventariseerd en beoordeeld op effectiviteit (Gravesteijn Diekstra 2004). Uit deze effectstudie blijkt dat jongeren meer zelfvertrouwen heb- ben gekregen, geloof hebben in hun invloed op de omgeving en eigen ge- drag, minder angst in conflictsituaties, vaker sociale en emotionele vaar- digheden gebruiken en minder suïcidale neigingen hebben.

    H7 Burgerschap in het primair onderwijs

    Om als goed burger te kunnen samenwerken en samenleven moet je kun- ne communiceren, over zelfcontrole beschikken en anderen respectvol aanspreken en jezelf respectvol laten aanspreken. Deze vaardigheden leer je op diverse plekken, de opvoeding van de ouders. Maar of iemand deze competenties beheerst wordt pas duidelijk in contact met mensen die ver- schillend zijn (The proof of the pudding is in the eating). Het onderwijs biedt die kans, samen met ouders en de omgeving.

    Een ontwikkeling op dit gebied is het ontstaan van de school als communi- ty center. “It takes a whole village to raise a child.”

    H8 De sportzaal als arena van de opvoeding. Frank Jacobs

    Het onderwijs streeft het doel na (2005 ministerie O&W) dat kinderen zich in de maatschappij kunnen handhaven, enerzijds opvoeden en anderzijds het overdragen van kennis en vaardigheden. Overleg tussen thuis, school en andere opvoedingscontexten is noodzakelijk om overeenstemming te krijgen over het hoe en wat van de opvoeding. Heij geeft in 2006 de vol- gende definitie van opvoeden: Opvoeden zien we als het creëren van kan- sen en het bieden van mogelijkheden aan jongeren, waaraan en waardoor zij zich kunnen ontwikkelen en kunnen ontdekken wie en wat ze zijn, wat ze kunnen en wat ze willen. Door meer aandacht aan opvoeden in de on- derwijscontext te schenken kunnen sociale contacten en daarmee het bin- den aan groepen een impuls krijgen. Sport heeft naast onderwijs ook een pedagogische verantwoordelijkheid. Er is echter nog geen valide weten- schappelijke grond om te kunnen beweren dat de sport positieve effecten heeft op de cognitieve, sociaal emotionele en morele ontwikkeling. Heeft sport dit positieve effect, of is het de relatie tussen coach en de jongere, heeft het te maken met de cultuur die er heerst, of de houding van sleu- telfiguren. Er is wel aangetoond dat jongeren die veel sporten zelfstandi- ger, gedisciplineerder en meer sociaal betrokken zijn.

    H9 De leerkracht als opvoeder tot ouderbetrokkenheid. Marion van de Sande
    Er is allerlei onderzoek gedaan naar ouderbetrokkenheid. Desforges en Abouchar hebben in 2003 een literatuurstudie gedaan, zij concludeerden dat voor ouderbetrokkenheid in de vorm van deelname van ouders aan activiteiten op school, geen aantoonbare effecten zijn gevonden op schoolprestaties en gedrag. Wel veronderstellen zij dat minimale betrok- kenheid van ouders belangrijk is, omdat ouders anders niet weten wat er van hen verwacht wordt op het gebied van ondersteuning van hun kinde- ren. De opvoedingsvaardigheden en verwachtingen van de ouders ten op- zichte van de schoolprestaties zijn van belang bij de betrokkenheid die ouders thuis tonen m.b.t. school. Scholing en training van ouders op hun betrokkenheid thuis draagt bij aan positievere resultaten.

    H10 De opvoedingsbelofte. Hans van Crombrugge

    De leraar is opvoeder als hij de verantwoordelijkheid opneemt voor het welzijn, het groot worden en uiteindelijk mens zijn van zijn leerlingen. Het onderwijs is een vorm van ondersteuning voor ouders bij de opvoeding. In dit artikel wordt gepleit voor het afleggen van een opvoedingsbelofte als installatie ritueel voor de leerkracht als opvoeder. De meeste leerkrachten beseffen hun verantwoordelijkheid als opvoeder. De onderwijskundige Day spreekt van een pedagogische passie die de kern uitmaakt van de profes- sionaliteit van de leerkracht, maar tegelijk deze professionaliteit ook over- stijgt en de gehele persoon betreft. Het afleggen van een opvoedingsbe- lofte is een ritueel om de omslag van leerkracht naar opvoeder in te stel- len. Bij aanvang van het schooljaar kan bij de verwelkoming plaats inge- ruimd worden voor een opvoedingsbelofte van leerkrachten. Er wordt ver- klaard dat de school wil meewerken aan de opvoeding van de jongeren.

    De rechten van het kind vormen het kader waarbinnen de opvoedingsbe- lofte uitgesproken wordt. De rechten van het kind zijn niet op te vatten als minimale eisen, het zijn principes waarnaar iedere opvoeder zich moet richten. In de opvoedingsbelofte wordt de kwaliteit van de relatie tussen leerkracht en leerling als intermenselijke relatie uitgesproken. Er wordt aangegeven binnen welke visie men wil opvoeden, overeenkomstig de le- vensbeschouwelijke en religieuze overtuigingen, volgens de concepties op het goede leven en de goede opvoeding.